'De regionale accountant, ook voor non-profit organisaties'

Integratieheffing (3-3-b heffing)

Rianne van den Dungen

Als iemand een kant-en-klaar product koopt, brengt de verkoper btw in rekening over de gehele prijs, terwijl bij zelf vervaardigde producten alleen btw in rekening wordt gebracht over de kosten en materialen. Op bijvoorbeeld het arbeidsloon van eigen personeel drukt dan geen omzetbelasting. Een ondernemer die (deels) vrijgestelde prestaties verricht kan geen (of niet alle) voorbelasting in aftrek brengen. Daarom kan het voor hem voordeliger zijn om goederen zelf te vervaardigen in plaats van aan te schaffen. Om deze ongelijkheid op te heffen wordt de oplevering van zelfvervaardigde producten beschouwd als een interne levering met een bijbehorende vergoeding. Over deze (fictieve) vergoeding moet de ondernemer btw betalen: de integratieheffing.

 

Er is sprake van een interne levering indien:

  • er goederen vervaardigd zijn in het eigen bedrijf dan wel er door de opdrachtgever stoffen ter beschikking zijn gesteld aan de opdrachtnemer voor de vervaardiging van het goed; en
  • de ondernemer de goederen gebruikt voor prestaties waarvoor hij (gedeeltelijk) geen recht heeft op aftrek van voorbelasting.

De integratieheffing geldt zowel bij de vervaardiging van roerende als onroerende goederen. In dit artikel ga ik in op de integratieheffing bij onroerende goederen.

 

Vergoeding

De btw op de kosten en materialen die zijn gebruikt voor de vervaardiging van het onroerend goed is volledig als voorbelasting aftrekbaar. Op het moment dat de ondernemer het onroerend goed gaat gebruiken voor bedrijfsdoeleinden is de integratieheffing verschuldigd. Omdat er geen factuur wordt uitgereikt, moet hij zelf de vergoeding voor de interne levering en de daaruit voortvloeiende btw bepalen.

De vergoeding voor de interne levering kan op twee manieren bepaald worden:

  • de aanschafprijs van een soortgelijk goed dat zich in dezelfde staat bevindt als het geleverde goed;
  • de (geactualiseerde) voortbrengingskosten.

In de praktijk zal men bij het laten bouwen van een onroerend goed vrijwel geen soortgelijke goederen kunnen vinden. Dit betekent dat de vergoeding bij onroerende goederen nagenoeg altijd bepaald wordt op basis van de voortbrengingskosten.

 

Voorbeeld

Iemand heeft een stuk grond in eigendom ter waarde van € 150.000. Hij heeft de grond destijds verworven zonder berekening van btw. Hij laat er een bedrijfspand op bouwen dat hij voor zijn eigen bedrijf gaat gebruiken. In zijn bedrijf verricht hij voor 50% belaste prestaties en voor 50% vrijgestelde prestaties, zodat een integratieheffing moet plaatsvinden zodra hij het gebouw in gebruik neemt.

De aannemer brengt hem € 300.000 excl. btw aan bouwkosten in rekening. De btw op de bouwkosten bedraagt € 57.000. Hij kan deze btw volledig aftrekken omdat de bouwkosten betrekking hebben op een belaste interne levering.

Op het tijdstip van ingebruikneming moet hij btw betalen over de voortbrengingskosten: 19% x (€ 150.000 + € 300.000) = € 85.500. Van die integratieheffing mag hij 50% aftrekken, omdat hij het bedrijfspand voor 50% gebruikt voor belaste prestaties.

 

Per saldo betekent dit dat er een extra kostenpost is van € 14.250. Deze kostenpost vindt zijn oorsprong in het feit dat er door de integratieheffing ook btw verschuldigd is over de grond die reeds in het bezit was van de ondernemer en waarvoor hij slechts 50% recht op aftrek van voorbelasting heeft.

 

Verbouwen van bestaande onroerende goederen

Naast het bouwen van een nieuw onroerend goed kan ook het verbouwen van een bestaand onroerend goed leiden tot een integratieheffing, namelijk indien er sprake is van een zodanig ingrijpende verbouwing dat er een nieuw onroerend goed is ontstaan. Bij ingrijpende verbouwingen dient derhalve altijd beoordeeld te worden of er sprake is van een nieuw vervaardigd onroerend goed.

 

Strijdigheid Europees recht?

De integratieheffing geldt indien de goederen in eigen bedrijf zijn vervaardigd dan wel indien de opdrachtgever stoffen ter beschikking stelt aan de opdrachtnemer voor de vervaardiging van het goed. In dit laatste geval heeft het Hof te Den Haag echter beslist dat de integratieheffing niet van toepassing is, aangezien deze regeling in strijd is met Europees recht. De Hoge Raad dient zich nog uit te spreken over deze zaak.

Indien u geconfronteerd wordt met deze heffing, kan het de moeite lonen om tijdig bezwaar in te dienen tegen afdracht van de integratieheffing in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad. Mocht de Hoge Raad deze regeling in strijd achten met het Europees recht, dan behoudt u door het bezwaar uw recht op teruggaaf van de dan ten onrechte in rekening gebrachte heffing.

 

Conclusie

De integratieheffing kan zowel optreden bij nieuwbouw als bij verbouwing van onroerende goederen. Het is zaak om zorgvuldig na te gaan of er in een bepaalde situatie sprake is van een interne levering. Indien er geconstateerd wordt dat er sprake is van een interne levering, dient de hoogte van de vergoeding bepaald te worden. Omdat niet alle intern toegerekende kostenposten meegenomen hoeven te worden bij de berekening is het van belang dit goed te bekijken.

Als er sprake is van integratieheffing doordat de opdrachtgever stoffen ter beschikking stelt aan de opdrachtnemer, is het van belang dat men tijdig bezwaar indient tegen de afdracht.

 

Rianne van den Dungen is werkzaam bij de Joanknecht & Van Zelst. Mocht u vragen hebben naar aanleiding van dit artikel, dan kunt u bij haar terecht. Maar ook haar collega's bij een van de andere bij Het Regionaal Alternatief aangesloten kantoren helpen u graag verder. Voor contactinformatie klik hier.

 

Mei 2010

 

« terug naar het overzicht